Geen land ter wereld is zo door mensenhand getekend als Nederland. In ons keurig verkavelde land is haast geen vierkante centimeter ongerepte natuur te vinden. Onze bossen zijn parken, onze parken zijn tuinen en onze tuinen zijn heel verre herinneringen aan wat ooit natuur moet zijn geweest maar nu een visueel aardig gearrangeerd verlengstuk van de binnenruimte is geworden. Er is, geloof ik, ook geen land waarvan de inwoners zozeer de neiging hebben om een nog weer verder verwijderde versie van natuur in huis te halen in de vorm van bloemen en planten. Wij leven niet in de natuur, de natuur woont bij ons binnen.
De schilderijen van Bonnie Severien weerspiegelen deze vervreemding. Natuur en cultuur zijn hier niet altijd uit elkaar te houden, soms nemen ze elkaars plaats in, soms is het niet duidelijk waar we ons bevinden in een door elkaar lopende jungle van architectuur en vegetatie, soms lijkt de natuur wraak te willen nemen op wat haar is aangedaan.
De meest voorkomende representaties van wat door mensenhand gemaakt is zijn gebouwen, meestal van modernistische aard, die lijken te zijn opgetrokken uit beton en glas. In dit werk verschijnen twee prototypen: varianten van Mies van der Rohe’s curtain wall die bij uitstek exemplarisch zijn voor het begin van het high-tech bouwen in de stad en de architectuur van Frank Lloyd Wright, een architect die zijn gebouwen buiten de stedelijke omgeving bij uitstek aansluiting probeerde te geven bij de omringende natuur waarin ze soms lijken op te gaan.
In dit werk verschijnen ze als pars pro toto voor alle menselijke activiteit op aarde.
De high tech-variant heeft een vaak letterlijk scherpe, agressieve aanwezigheid (doordat bijvoorbeeld een hoek is afgebeeld) en manifesteert zich als vijandige kolonisator van wat ooit ongerept was. En wat in Wrights werk vaak als een positieve, respectvolle houding ten opzichte van de omgeving is aangemerkt wordt hier als het ware tegen hem gebruikt door wat als harmonische combinatie was bedoeld voor te stellen als verwarring en vervreemding, mogelijk ook als gevolg van de historische afstand die ons anders doet reageren.
In alle gevallen lijken architectuur en omgeving met elkaar in soms letterlijke strijd verwikkeld. De architectuur verschijnt als Fremdkörper en verwoester van wat er altijd al was en op zijn beurt wordt bijvoorbeeld een grijs, bunkerachtig stuk modernistische architectuur bedreigd door grote hoeveelheden giftig rode, triffid-achtige vegetatie. ‘Moeras’(2008) is daar een duidelijk voorbeeld van.
Hoe de confrontatie ook zal aflopen, er is sprake van een voortdurend unheimliche atmosfeer die in breder verband ook illustratief lijkt voor de vele conflicten die in deze tijd op aarde plaatsvinden en zich manifesteren in dualiteiten die vergelijkbaar zijn met de dichotomie natuur/cultuur: immigratie/xenofobie, fundamentalisme/cultuurrelativisme, ideologie/laissez-faire, staatsgeleide economie/kapitalisme van de vrije markt, etc.
Alom heerst wederzijds wantrouwen terwijl tegelijkertijd beide polen elkaar steeds doordringen en territoria, met name in Europa, worden gedwongen gedeeld door ongelijksoortige elementen die elkaar moeilijk of helemaal niet verdragen. Voor iedereen verdwijnen oude waarden terwijl nieuwe nog niet zijn geformuleerd en zo bevindt de wereld zich in een staat van permanente flux, van overgang naar een nog onbekende toekomst. Nu loopt alles door elkaar in een sfeer van angstige onzekerheid.
In een aantal schilderijen worden we naar analogie dan ook geconfronteerd met constructies waarbij niet duidelijk is wat nu eigenlijk binnen is en wat buiten. Soms groeien er bomen in het interieur die daar aan de ene kant vanzelfsprekend niets te zoeken hebben maar aan de andere kant misschien als steunende zuilen een functie in de architectuur vervullen. Vaak weten we niet zeker in wat voor werkelijkheid we ons bevinden in schilderijen waarin alles, bebouwing en natuur, onecht lijkt en geconstrueerd. Dat is natuurlijk ook zo, de kunstenaar construeert haar eigen beelden, maar hier is meer aan de hand dan met een dergelijk cliché kan worden afgedaan.
In enkele werken lijkt de strijd gestreden: met name in ‘Uitzicht’ verschijnen geïsoleerde resten van wat ooit een modernistische structuur moet zijn geweest als een soort ruïne, als een artefact van een verdwenen beschaving waarvan de betekenis niet meer te achterhalen is tegen een achtergrond van rode palmen, een rood meer en een rode lucht die de strijd kennelijk gewonnen hebben. Aan de andere kant valt in dit schilderij nog iets wonderlijks op, dat doet vermoeden dat de ‘werkelijkheid’ complexer is: scherpe uitsneden van wat een blauwe lucht zou kunnen zijn begeleiden de modernistische restanten. Dit geeft het hele werk een andere betekenis: het verschijnt nu als een deels collage-achtig, gefragmenteerd beeld waarin verschillende werkelijkheden naast elkaar en door elkaar heen bestaan en niet alles kan worden gevat in termen van oorzaak en gevolg. Iets vergelijkbaars geldt voor andere werken en de beschouwer blijft achter met de indruk dat het weliswaar steeds om serieuze zaken gaat maar dat die worden gepresenteerd in een vocabulaire en in combinaties van beelden die de mogelijkheid openlaten dat we met een spel, een game, van doen hebben, dat zich in ieder schilderij apart op een eigen maar analoge manier voltrekt; ieder schilderij eindigt dan bij wijze van spreken met game over, waarna een nieuw schilderij een volgende versie van de game introduceert.
In enkele werken lijkt de dualiteit natuur/cultuur verdwenen en worden op soortgelijke wijze verschillende elementen van infrastructuur ingezet: in ‘City’ wordt een beton- en staalconstructie bijvoorbeeld scherp doorsneden met taartpunten die delen van een autoweg bij nacht te zien geven. Hier wordt de zaak nog verder op scherp gezet; autowegen en gebouwen vormen met elkaar een soort tautologische constructie: het doordringen van binnen en buiten maar dan wel van eenzelfde soort binnen en buiten, alsof er niets anders meer bestaat en ook dat consequenties heeft: de menselijke interventies vreten elkaar als het ware op, daar is al geen natuur meer voor nodig.
Bij het overzien van al deze werken dringt zich uiteindelijk ‘met zekerheid’ het idee op dat niets hier echt is: er worden voorstellen gedaan, van vrolijke verwarring tot een naderende Apocalyps en het einde van de menselijke beschaving en dat zijn serieuze voorstellen, maar dat is dan ook wat ze zijn: voorstellen, representaties van mogelijkheden.
Het hierboven gereproduceerde schilderij trekt daar de consequentie uit. Hier vinden we een gebouwtje dat een soort kruising is tussen Wright-achtige architectuur en een soort down home bungalowbouw (in dit geval naar een bestaand huis van Richard Neutra die een tijd met Wright heeft samengewerkt) in een omgeving die niets natuurlijks heeft. Maar de natuur is wel degelijk aanwezig, op een wat pesterige manier: op de plaats van de ramen is een wijds landschap te zien maar het is de vraag of dat op het bouwsel is geschilderd of zich juist in het interieur bevindt, waarvoor het veel en veel te groot is zodat het in dat geval een soort door mensen gemaakt schaalmodel lijkt. Een derde mogelijkheid is dat we dwars door het gebouw heen kijken en dat zich daarachter een hele nieuwe (of moet ik zeggen oude?) wereld van wilde, ongerepte natuur bevindt. Het geheel staat op een soort houtachtige terrassen die in de lucht lijken te zweven en alles wordt overdekt door een open geometrische dakstructuur van wat metaal lijkt. Geconstrueerder kan het niet. Alle eerdere thema’s komen in dit schilderij samen in een structuur die in de ruimte lijkt te zweven.
De combinatie van totaal isolement en de situering van het huis op een terrassenconstructie die niets natuurlijks heeft doet vermoeden dat we hier – en in dit hele oeuvre – niet zozeer te maken hebben met een voorstel (of een serie voorstellen) maar eerder met een voorstelling (of een serie voorstellingen): hier wordt la condition humaine anno 2008 op de planken gezet.
Alles wat feitelijk leek bestaat uit coulissen en decors, alles wat ‘natuurlijk’ scheen is zorgvuldig geconstrueerd tot zetstukken op een podium. Wat de kunstenaar als schrijver, regisseur en metteur-en-scène doet is ons een spiegel voorhouden in een theatrale setting waarin alles fake is (maar daarmee nog niet minder mogelijk in de ‘echte’ wereld, als die bestaat wat nu niet zeker meer is). Daarmee trekt het werk de ultieme consequentie uit zichzelf: niets is waar en zelfs dat niet.
En zo wordt het, misschien in een typisch Nederlandse moralistische traditie, een didactisch schouwtoneel.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten