woensdag 5 januari 2011

Horen en zien. Over werk van Immanuel Klein

De beelden van Immanuel Klein horen tot de meest bedrieglijke die ik ooit heb gezien. Wie met kunst omgaat moet niet verbaasd staan als iets niet is wat het lijkt, maar zelden vermomt werk zich zo als dit.
Wat het oog ziet zijn mooie, glad gepolijste beelden in verschillende kleuren marmer of juist in albast – met andere woorden: sommige transparant, andere massief; ronde, organische vormen die het oog strelen met wat op het eerste gezicht een puur abstracte esthetiek lijkt die misschien ooit ontleend was aan vergelijkbare natuurlijke vormen waaraan het vaag herinnert maar waarvan het ook heel lang geleden afstand heeft genomen ten behoeve van de pure, zuivere vorm. Een vorm als Idee – de stof geworden Idee – die steeds opnieuw herhaald moet worden met allerlei kleine varianten en variaties omdat de ware perfectie niet kan worden uitgebeeld en er voor de kunstenaar niets anders opzit dan er voortdurend omheen te cirkelen, er op allerlei manieren naar te verwijzen en haar iedere keer te benaderen. Dan is ieder beeld een verslag van een poging tot perfectie en als het goed is, is die poging als poging perfect.

Kleins beelden hebben in hun organische abstractie nogal wat weg van sculpturen zoals ze in de jaren vijftig werden gemaakt door kunstenaars als Henry Moore en Barbara Hepworth. Ooit hoog geroemd zijn deze kunstenaars en hun geestverwanten nu zo ongeveer in het vergeetboek geraakt, ik weet niet precies waarom, misschien omdat de belangstelling voor traditionele rondsculptuur is vervangen door installaties of meer figuratieve sculptuur waarbij benoembare en vaak conflictueuze ‘inhoud’ meer van deze tijd lijkt dan het streven naar harmonie en compositorische perfectie.
Ik zeg niet dat deze relaties en inhouden niet echt in Kleins werk aanwezig zijn, want wanneer werk zich vermomt als iets anders dan het ‘eigenlijk’wil zijn, is die persona ook deel van het geheel, ook al zijn de verhoudingen uiteindelijk meer polemisch of ironisch dan mimetisch. In ieder geval is hier sprake van een dwaalspoor maar een dwaalspoor kan alleeen bestaan bij de gratie van het feit dat er kennelijk een juist spoor is waarvan het dwaalspoor dus automatisch een functie is.

Hoe dan ook, wie wat langer naar deze beelden kijkt zal opmerken dat ze formeel wel erg veel gemeen hebben. Het lijkt of een aantal beelden naar de vorm geheel identiek is, sommige beelden zijn haast identiek en een derde groep lijkt een uitvergroting te presenteren van een deel van wat in andere beelden een geheel vormt terwijl zo’n deel op zich ook weer een geheel is.
Dat moet iets betekenen. Waarom zou de kunstenaar zo geobsedeerd zijn door één vorm die er tegelijkertijd organisch en capricieus uitziet én op onduidelijke wijze functioneel lijkt te kunnen zijn? Want wie goed kijkt ziet dat het hier niet om een volstrekt willekeurige vorm gaat die in dienst staat van een of ander utopisch perfectie-ideaal. Het beeld is een structuur die een haast natuurlijke noodzakelijkheid lijkt te hebben, een structuur die in die zin misschien helemaal niet abstract is maar (tenminste ook) een middel tot een doel zou kunnen zijn.



Bij nader inzien blijkt dat ook te kloppen want al deze beelden stellen (delen van) het midden- en binnenoor voor: hamer-aambeeld-stijgbeugel-evenwichtsorgaan-slakkenhuis. Toevallig (of misschien niet helemaal toevallig) levert dat structuren op die op een bepaald verouderd paradigma van ‘moderne abstracte beeldhouwkunst’ lijken maar daar eigenlijk niets mee te maken hebben. Die frictie, dat verschuiven van betekenisgebieden, verleent deze beelden hun ambivalentie karakter: de kijker ziet ze, herkent iets wat als kunsthistorisch gegeven in zijn hoofd zit opgeslagen, raakt enigszins in de war omdat er iets niet lijkt te kloppen en moet dan verder zoeken tot hij de oorzaak van die ambivalentie heeft gevonden.
Beelden van de buitenkant van het menselijk lichaam worden gemaakt sinds de sculptuur werd uitgevonden en zijn ook altijd gemakkelijk herkenbaar: het lijf is zichtbaar, we hebben er allemaal een, dus er is in de eerste plaats herkenning. Maar hier hebben we maken met een deel van de binnenkant, die we normaal niet zien. En die binnenkant is hier niet moralistisch-metaforisch gebruikt maar gewoon letterlijk en accuraat afgebeeld en verzelfstandigd.

Maar waarom nu juist de binnenkant van het oor? De binnenkant van het lichaam zit vol met allerlei vormen die zonder meer als sculptuur verzelfstandigd zouden kunnen worden maar Klein presenteert alleen het oor (en daarvan dus alleen het niet zichbare deel). Het binnenoor doet twee dingen: het laat ons horen en rechtop staan (vanwege het evenwichtsorgaan). Gehoor en evenwicht zijn dus op zijn minst qua situering met elkaar verbonden. Zowel aan gehoor als aan evenwicht zit een ruimtelijke functie: het horen definieert de ruimte op een akoestische manier en het evenwicht zorgt voor het behoud van zelfgekozen stand en beweging in die ruimte. 


 
Tenslotte is Klein een dubbeltalent: hij is beeldend kunstenaar maar ook componist. Vanuit die achtergrond is de keuze voor het oor ook te begrijpen. Want deze beelden combineren beide zintuigen en bewegen zich van trommelvlies naar netvlies.
En dat geeft uiteindelijk een wonderlijke interactie tussen beeld en beschouwer: ik kan het beeld zien maar het beeld zelf is blind en hoort.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten