In de video Time doing lijkt op het eerste gezicht eigenlijk niets te gebeuren. Gedurende ruim zeventien minuten zien we vanuit een vast camerapunt dezelfde in real time opgenomen scène waarin spectaculaire gebeurtenissen ontbreken.
Het beeld: op een grasveldje met wat bomen en struiken aan de rand van een park of plantsoen ligt een jong paar een beetje te vrijen in de zon. Voor het gras bevindt zich een wandelpad, erachter zijn huizen zichtbaar. Dat is alles: er gebeurt niets.
Of toch? Er kan natuurlijk ook iets ‘gebeuren’ of ‘aan de hand zijn’ zonder dat er een narratief plot is; in de tijd ontwikkelt zich hier niets, dus juist dat moet betekenis hebben of tenminste een ingang verschaffen voor het zoeken naar betekenis, wat mensen nu eenmaal eigen is: we zoeken naar orde in de chaos, naar betekenis in een schijnbaar onbegrijpelijk beeld.
En zo werkt het inderdaad: naarmate hij langer kijkt naar dingen die niet gebeuren gaat de kijker vanzelf op de beeldelementen letten, op de informatie die wél geboden wordt. En dan blijkt met het verstrijken van de tijd de vorm van het beeld, de manier waarop het is opgebouwd, betekenis te krijgen.
Weliswaar is het beeld niet in scène gezet, maar er is gebruik gemaakt van bestaande aanwezige elementen die alleen in een kader zijn geplaatst, waardoor dit deel van de wereld als het ware verbijzonderd wordt in vergelijking met alles wat er niet te zien is, enigszins vergelijkbaar met een ‘objet trouvé, wat het in zekere in ook is (een scène trouvée), terwijl ook overeenkomst te ontdekken valt met John Cage’s compositie 4’33’’, die bestaat uit een dichte piano die door een pianist gedurende 4 minuten en 33 seconden niet bespeeld wordt: door wat er niet is wordt de luisteraar zich bewust van wat er wel is, namelijk het geluid van de plek waar het concert zich afspeelt, het ‘gevonden’, altijd aanwezige maar nooit echt opgemerkte geluid van de stad of welke omgeving dan ook waar het werk wordt uitgevoerd.
Zo worden we ons ook in deze video langzaamaan bewust van wat er wel is en worden de alledaagse toevalligheden van de plek tot protagonisten van een schouwspel.
Maar er is ook verschil met Duchamp en Cage en dat verschil is essentieel. Want hoewel van een ingreep in het bestaande beeld geen sprake is, blijkt dat beeld bij nader inzien wel degelijk een weloverwogen structuur te hebben. Hoewel alles gewoon is wat het lijkt, is er ook een andere laag, of, liever gezegd, er zijn juist meerdere lagen; het is juist de opmerkelijke gelaagdheid van dit beeld die er betekenis aan geeft.
Die gelaagdheid is in de eerste plaats letterlijk te signaleren. Er zijn van voren naar achteren vier niveaus van handeling te onderscheiden: het voetpad, de plek met gras, daarachter een soort bufferzone van wat waarschijnlijk een stoep en een straat zijn en tenslotte de architectuur die het beeld afsluit.
Het meest opmerkelijk is misschien het feit dat het grasveldje waarop het paartje ligt zich iets hoger bevindt dan het pad ervoor en daarvan bovendien door een soort stoeprand gescheiden is. Dat betekent niet alleen dat grasveld en pad twee verschillende plekken zijn met verschillende mogelijkheden en bedoelingen, maar ook krijgt het grasveld door deze verhoogde status een meer nadrukkelijke betekenis, als een podium, waar iets wordt opgevoerd.
Hoewel datgene wat opgevoerd wordt gewoon een scène uit het dagelijks leven is, bevinden we ons nu ineens in een heel ander betekenisgebied, dat van het schouwspel, het theater. Als het grasveld het podium is worden de bomen en struiken zetstukken en de architectuur een decorwand. Het voetpad zou de ruimte voor toeschouwers kunnen zijn (de ‘zaal’), maar is dat eigenlijk toch ook niet, want wij, de echte toeschouwers, bevinden ons weer in een heel andere ruimte, terwijl de ruimte van de toeschouwers in het beeld in beslag genomen wordt door voorbijgangers die van links naar rechts en andersom het beeld in en uit lopen, als een soort figuranten of in ieder geval als personages in het stuk, van wie we overigens alleen de benen zien: dan is er dus zelfs sprake van twee podia, waarop zich verschillende dingen afspelen met nog een derde podium, schijnbaar ook weer iets hoger, in de vorm van stoep en straat achter het plantsoen, waar af en toe ook mensen langs komen lopen.
De letterlijke gelaagdheid blijkt dus te corresponderen met een overdrachtelijke, inhoudelijke. Daar is nog wel iets meer over te zeggen. De architectuur, het afsluitende decorstuk, is statisch en bezit neoclassicistische elementen waaruit valt af te leiden dat hij er al eeuwenlang staat – wat zich verder in het beeld afspeelt doet dat dus tegen de achtergrond van een lange geschiedenis, een lange traditie die in zekere zin iets tijdloos heeft of tijdloosheid suggereert.
Het vrijende paartje is bewegelijk, daar ’gebeurt’ dus wel iets tegen de tijdloze, roerloze achtergrond en wat er gebeurt is het oudste spel ter wereld dat altijd actueel blijft en verlangen, lust, plezier, genot suggereert en in deze context ook iets van onschuld – alsof er nooit een zondeval heeft plaatsgevonden: we kennen allemaal dat gevoel van heerlijke verliefdheid waarbij al het andere verbleekt en niet meer wordt opgemerkt. Je zou kunnen zeggen dat dit paar, misschien de hoofdrolspelers, in zichzelf en elkaar verzonken, zeer geconcentreerd bezig is; ze spelen hun rol met verve en oprechtheid, dat kan ook moeilijk anders want in dit script spelen ze zichzelf en dat doen ze goed.
Nog beweeglijker zijn de passanten, ze komen en gaan zonder ergens acht op te slaan en ze zijn anoniem want ze bestaan alleen uit benen waaruit wel iets is af te leiden over sekse en kleding en daardoor, misschien, over sociale status, maar ze zijn al bijna weer verdwenen voor we eraan toegekomen zijn om ze nader te beschouwen en dat hoeft ook niet echt want zij spelen de rol van het dagelijkse, vliedende leven, ze zijn gewoon op weg van A naar B en zo speels en intiem als het contact tussen de jongen en het meisje op het gras is, zo banaal en nietszeggend leven de passanten, soms letterlijk, langs elkaar heen. Dat is hun rol op hun pad, dat precies daarvoor is aangelegd. Toch hebben zij allemaal hun eigen leven en het is niet helemaal ondenkbaar dat zij op zeker moment in enigerlei configuratie die we niet kunnen kennen ook op het podium terechtkomen; zij zijn net zozeer symbolen van menselijkheid als het vrijende paar: hier, in deze gevonden en herkende theatersetting, wordt immers de ‘kracht van het kleine’ gevierd – in zekere zin niet onvergelijkbaar met bijvoorbeeld een zeventiende eeuws Nederlands genreschilderij.
Wie er een mythologische betekenis aan wil geven zou het werk bijvoorbeeld ‘Amor en Psyche’ kunnen noemen.
Zo levert het verstrijken van de tijd, de voornaamste echte gebeurtenis in dit werk en een belangrijke ‘ingreep’ van de kunstenaar, een weliswaar bewegelijk maar in wezen evenzeer tijdloos beeld op.
Zo zijn wij mensen, we gaan van A naar B of andersom en we beleven de liefde in de zon. We trekken onze sporen over de aarde. Het lijkt weinig maar het is zo veel.





Geen opmerkingen:
Een reactie posten