De krant verschaft als massacommunicatiemiddel informatie en opinies over wat er in de wereld gebeurt, het is in zekere zin ‘een venster op de wereld’ – hoewel die functie steeds meer lijkt te worden overgenomen door TV en internet, media met een monitor, die er opmerkelijk genoeg veel meer als een venster uitziet. Als de krant gelezen is, blijft een restvorm over die weggegooid of al dan niet deels gearchiveerd kan worden: in essentie een pak papier.
Dit werk bestaat uit een aantal pakken tot papier-maché vermalen kranten. Ieder blok bevat één week kranten, er zijn 52 blokken, dus het totaal bestaat uit een jaar gecondenseerd nieuws. Dat nieuws is niet meer toegankelijk, het is letterlijk pulp geworden. Maar dat wil niet zeggen dat het helemaal weg is: het is er tegelijkertijd niet en wel, gereduceerd tot een nauwelijks of niet bereikbare collectieve herinnering, een zweem, een schim, harde feiten die letterlijk gestold zijn, waardoor ze nóg harder zijn geworden, maar tegelijkertijd voor altijd opgeborgen in een soort sarcofaag. Sterker: het nieuws is zijn eigen doodskist geworden. Je kunt het letterlijk oppakken en toch heb je er geen greep op.
De monitor, dat eigentijdse medium, verwijst naar een wereld van technologische informatieoverdracht en interactie waarin de grenzen van de communicatie worden afgetast. Op zijn beurt heeft de monitor in de kunstpresentatie de beamer voortgebracht, als het ware een monitor zonder lijst, net zoals de meeste schilderijen hun lijst hebben afgeworpen sinds ze niet langer het Renaissancistische ‘venster op de wereld’ willen zijn. Het gaat hier om de ‘echte’, concrete wereld, of, liever gezegd, om een projectie daarvan die een analogie oproept met Plato’s grot: wij grotbewoners zien via de beamer de projectie – die dus opmerkelijk genoeg eigenlijk een letterlijk met licht als materiaal gemaakte schaduw is - op zijn best afspiegelingen, schimmen van die ‘echte’ wereld die op zijn beurt (en dat kom je in Plato’s grot niet tegen) ons willen bereiken maar net zo min weten hoe dat moet als wij dat doen.
Dat is wat in dit minimale werk te zien is: een wijsvinger beweegt zich aarzelend, tastend en zoekend, langs de randen van het beeldvlak. Het is de beschouwer duidelijk dat ‘aan de andere kant’, de ‘zendkant’, iemand probeert grenzen te verkennen, haar plek te bepalen, haar identiteit vast te stellen, in contact te komen….. op verschillende plekken in de buitenaardse ruimte vliegen voorwerpen die afkomstig zijn van de aarde naar totaal onbekende verten, op zoek naar ander intelligent leven, en ze zijn onder meer voorzien van schematische afbeeldingen en aanduidingen van wie en waar wij zijn, roependen van ver in de woestijn van het oneindige ongewisse in de hoop op: soortgenoten, lotgenoten, identiteitsgenoten?
Van oudsher, van de prehistorische grotschilderingen tot nu, is het allereerste doel van de kunst misschien ontdekking, bevestiging, identificatie, bezwering: het zoeken naar identiteit in een nog onbekende en niet vertrouwde wereld – door beeldende informatie het ongerijmde in te sturen, nu de aarde te klein geworden is, bevestigen we tegelijkertijd (in zekere zin misschien tegen beter weten in) dat we een beeld hebben van wie wij zijn, van onze eigen identiteit als soort. Door de wereld te beschrijven kunnen we er vat op krijgen.
In wezen is dat precies wat de krant doet, in algemene zin. De vinger op de monitor is daar het particuliere pendant van. Het gaat dan respectievelijk om collectieve en individuele identiteit en als je de werken combineert – wat tot op zekere hoogte het geval is als ze samen worden gepresenteerd – vullen ze elkaar aan, tonen ze twee kanten van dezelfde medaille. De collectieve identiteit is tot pulp vermalen, naar de individuele identiteit wordt aarzelend gezocht: het geheel levert een staat van transitie op, van een fluïde overgang (van wat naar wat?), waarin niets vaststaat en houvast wordt gezocht.
Er is ook een verschil: de krant is in principe een kwestie van eenrichtingsverkeer, de informatie wordt door A doorgesluisd naar B en wat B er verder mee doet is een andere zaak.
Maar de vinger in het gebeamde beeld beseft dat hij zich beweegt in een medium dat meer mogelijkheden heeft of lijkt te hebben op het gebied van interactie. De vinger (de persoon aan wie de vinger vastzit, de vinger is een metafoor, een pars pro toto) zoekt contact, voelt als het ware of er in het virtuele territorium nog iemand anders is om het isolement in het beeld op de muur, die rechthoekige gevangenis, te doorbreken. De beschouwer ziet het gebeuren, maar het werk is niet interactief, het is niet zo ingericht dat hij kan reageren, meedoen, samen zijn.
Met andere woorden: de virtuele wereld heeft ook zijn grenzen, namelijk die van het medium zelf, in letterlijke en overdrachtelijke zin. Natuurlijk bestaan er email, chatrooms, webcams, netwerksites als Facebook of MySpace, hele werelden als Second Life en noem maar op en die kun je allemaal met een beamer op de muur projecteren, maar hoe ‘echter’ ze lijken hoe virtueler ze worden. De vinger tast hier letterlijk de grenzen en mogelijkheden van de virtuele wereld af op zoek naar contact en ‘echt’ - dat wil in dit geval zeggen fysiek – contact is onmogelijk.
Ik zie de vinger ook als een poging om ‘leven in te blazen’, hij doet me denken aan de vinger van God die in Michelangelo’s Sixtijnse Kapel naar Adam reikt en hem zo tot leven roept.
De tijd van dat soort goden lijkt voorbij en nu hebben we het internet met onszelf als tovenaarsleerlingen die een soort simulacrum van schepping (het net = de wereld) proberen te manipuleren tot het ‘écht’ wordt en in deze zin is dat onmogelijk of de mogelijkheden zijn tenminste beperkt tot ontlichaamde (en in hoeverre ontzielde?) personae die op zijn best - bijvoorbeeld als ‘avatars’ - onze vertegenwoordigers zijn, maar ze zijn ons niet. De virtualiteit fragmenteert onze identiteit tot die van een marionet, ook al trekken we zelf aan de touwtjes.
Zoals we het nieuws van het afgelopen jaar in pulpvorm binnen handbereik hebben zonder er de vinger op te kunnen leggen, zo hebben we intermenselijk contact bijna in de vingers in de vorm van een aarzelende handreiking. Het is te veel en te weinig tegelijk.
Beide terreinen, de geschiedenis en het heden, lijken uiteindelijk afgesloten territoria, rijk van virtuele utopie of dystopie.
O, kon ik maar mijn wijsvinger tegen die van het personage in het beeld leggen – ik stel me een schokje statische elektriciteit voor bij die fysieke ontmoeting - , dan waren we al met zijn tweeën….
Misschien, in de toekomst…..in de kunst…..?
Foto's: Eric de Vries
Foto's: Eric de Vries




Geen opmerkingen:
Een reactie posten