zaterdag 25 juni 2011

Onzichtbaar licht. Over werk van Lilian Kreutzberger



Niets lijkt veiliger dan onze vertrouwde dagelijkse omgeving. De bekende vier muren, de persoonlijke aankleding, het uitzicht uit de ramen, het is ons territorium, we hebben het ons eigen gemaakt, we zijn en voelen ons er thuis en we kunnen ons zonder risico ontspannen. Buiten weten we de weg, de openbare ruimte rondom ons huis is in zekere zin een uitbreiding van ons territorium, omdat we ons daar ‘thuis voelen’, een uitdrukking die niet voor niets bestaat en betekent dat we ons ergens net zozeer op ons gemak voelen als in ons eigen huis.

Of toch niet? Is het wel zo eenvoudig? Neemt de omgeving niet ook andere vormen aan als externalisaties van hoe we ons voelen, van gedachten en aandriften die we op een bepaald moment hebben? Het is de eeuwige vraag naar het wezen van de werkelijkheid: bestaat die buiten onszelf of is hij (mede) een product van onze verbeelding? Is het een objectief gegeven of een subjectieve inhoud? Een concreet feit of een veranderende weerspiegeling?

Daar zijn boeken over vol geschreven, voor nu is het voldoende ons te realiseren dat de kunst in staat is om vertrouwde gegevens op te laden met nieuwe betekenis die niet altijd even geruststellend is.  

Aan de andere kant is het zo langzamerhand natuurlijk ook een cliché dat ‘de stad’- de plek waar nu voor het eerst in de geschiedenis de meeste aardbewoners leven in een opwindende mengeling van ongekende mogelijkheden, culturele verworvenheden en oneindig veel potentiële ontmoetingen - ook een gevaarlijke en onherbergzame plek kan zijn met getto’s en no go areas, criminaliteit, onpersoonlijkheid, anonieme eenzaamheid etc.

Het alternatief is ergens ‘buiten’ wonen, een wat merkwaardige uitdrukking want ook dan woont men wel degelijk gewoon binnen maar niet in de stad en wel in een meer natuurlijke omgeving. Voor sommigen is buiten wonen een escape uit de hectiek van de stad en ook wel eens een uiting van een verlangen om daadwerkelijk ‘in de natuur’ te leven als een echo van Rousseau, Thoreau en Van Eeden. Daarbij komen ‘nobele wilden’ en metafysische noties over gezond leven om de hoek kijken.

Deze gedachten komen op naar aanleiding van het werk van Lilian Kreutzberger, waarin huizen, zowel in de stad als in de natuur, het schijnbare thema vormen. Ik zeg ‘schijnbaar’ omdat het niet zomaar om huizen gaat, maar om ruimtes die in de meest radicale werken bijna alles wat we met ‘wonen’ associëren als het ware in twijfel trekken. De wereld die ons hier wordt voorgeschoteld is geen vriendelijke, veilige wereld. Het is moeilijk voor te stellen dat iemand zich er thuis zou kunnen voelen, maar aan de andere kant gaat het wel degelijk om huizen waarin mensen geacht worden te wonen; al komen er in dit oeuvre gewoonlijk geen mensen voor, de relatie huizen – mensen is vanzelfsprekend: zonder mensen zouden er ook geen huizen zijn, ze zijn ontworpen om ons te beschermen tegen de elementen en tegen gevaar. Maar als die huizen zelf letterlijk unheimlich worden hebben we niet langer te maken met een reëel gevaar, maar met een existentieel onbehagen waarvan het huis een symbool geworden is.  

Als er een huis is – of wat voor binnenruimte dan ook – zijn er altijd twee mogelijke kijkrichtingen: van binnen naar buiten en andersom. Een derde mogelijkheid is dat van binnenuit naar (een ander deel van) het interieur gekeken wordt. Maar kunnen we het beeld vertrouwen? In een tijd waarin beeldtechnieken die ooit voor juridisch bewijsmateriaal konden worden gebruikt op allerlei manieren bewerkt kunnen worden zodat er geen enkele garantie bestaat dat wat ze laten zien ook inderdaad ‘de’ werkelijkheid is, moeten we er rekening mee houden dat de schilderkunst – die al helemaal niet meer pretendeert iets te representeren wat voor de zichtbare werkelijkheid kan worden gehouden – haar eigen gang gaat en ons haast per definitie ambivalente situaties voorschotelt. Een aantal schilderijen en tekeningen in dit oeuvre zijn weliswaar eenduidig over de kijkrichting, maar in andere markante gevallen wordt de existentiële onzekerheid die onze cultuur op dit moment kenmerkt gevisualiseerd door het presenteren van dubbelzinnigheid: soms weten we niet waar we zijn en waar we naartoe gaan – dan zit de kijker als het ware gevangen in  het beeldvlak, voortdurend in twijfel en onzekerheid over de richting van het beeld waarvan hij deel uitmaakt. Niets in deze werken is letterlijk, alles metafoor.
Dat wordt verbeeld in termen van binnen en buiten of juist in termen van een onbestemde, onbenoemde plek, een scheur in de muur, een onduidelijke tussenruimte die geen definitie kent, op weg van niets naar nergens.

Er zijn een paar ondubbelzinnige werken, waarbij van binnenuit naar buiten wordt gekeken. Het gaat hier om kale binnenruimtes in een gebouw waarvan in ieder geval het gedeelte wat we te zien krijgen geheel uit ramen met sponningen bestaat, een seriële constructie die architecturaal gezien modernistisch van aard is (de curtain wall) en in de beeldende kunst de herhalingsmotieven van minimal art in de herinnering roept. 


  
Twee dingen vallen onmiddellijk op: de binnenruimtes zijn leeg en de buitenruimtes eigenlijk ook. Buiten is een onduidelijk, vaag landschap te zien dat zich uitstrekt zover het oog reikt of er zijn zwarte silhouetten van andere hoogbouw die een stedelijke omgeving suggereren maar even leeg en desolaat bedreigend ogen als het landschappelijke vergezicht (dat eigenlijk meer een soort non-vergezicht is omdat er in wezen helemaal niets te zien is). Mensen zijn altijd afwezig, de ruimtes zelf zijn de personages, de protagonisten in een theaterstuk zonder woorden of zetstukken – het is een ‘leeg’ theater waarin de ruimtes zelf tegelijkertijd podium en acteur zijn. Aan de andere kant zou je je ook kunnen voorstellen dat de binnenruimtes daadwerkelijk podia zijn die wachten op de ‘echte’ personages zodat het stuk kan beginnen, in een angstige staat van naderend onheil: de sfeer is al gezet. Omgekeerd is het ook denkbaar dat het hier taferelen betreft van ná de catastrofe, misschien een nucleaire ramp, die de mensen van de aardbodem heeft doen verdwijnen.


In een van deze werken lijkt het afgebeelde kale interieur zich misschien aan zee te bevinden (maar dat is niet met zekerheid te zeggen) en dan wordt het een reflectie – om niet te zeggen een parodie – op een lifestyle van luxe, peperdure modernistische villa’s aan bijvoorbeeld de Califonische kust. Ook hier is alle leven verdwenen, wat dat betreft zijn binnen en buiten steeds congruent.

Deze werken zien er opmerkelijk ‘Amerikaans’ uit, niet zozeer met betrekking tot het gebruik van de beeldmiddelen als wel doordat de schaal van de buitenruimtes, het strakke modernisme van de binnenruimtes en het formaat van de hoogbouw suggereren dat we ons in Amerika bevinden.
Maar een belangrijk aspect van de betekenis van het werk is naar mijn gevoel juist weer bij uitstek ‘Europees’ en eigenlijk zelfs een exponent van een Nederlandse moralistische traditie; want zijn deze werken niet ook heel goed te interpreteren als impliciete kritiek op het leven op aarde, zoals in zeventiende eeuwse vanitas-stillevens?


In één geval lijkt er in een duistere ruimte een soort plant te staan. Mensen halen planten en bloemen in huis om de sfeer te veraangenamen door middel van een esthetische toevoeging die iets van ‘natuur’ suggereert. Maar hier benadrukt de aanwezigheid van een stekelig uitziende plant de haast vijandige indruk die ‘buiten’ nu eenmaal wekt. Als in dit werk buiten naar binnen komt is dat geen verzachtende, verlichtende, rustgevende aanwezigheid, maar een regelrechte aanval op wat er toch al niet was: een dubbele ontkenning die in combinatie niets positiefs oplevert; het is niet pluis, binnen noch buiten. In deze serie is er eigenlijk nauwelijks verschil tussen binnen en buiten en in dit speciale geval lijken de ramen ook nog bijna van matglas te zijn gemaakt waardoor het schaarse licht dat binnenvalt nog net de contouren van een bedreigende, ooit van buiten gehaalde organische structuur zichtbaar maakt. De architectonische elementen scheiden binnen weliswaar van buiten, op binnen zit een dak of in ieder geval een plafond, maar het is er onaangenaam toeven: binnen is een lege gevangenis, buiten een gevaarlijke lege oneindige ruimte en de scheiding door de zeer grote vensters fungeert dan als een spiegel: beeld en spiegelbeeld zijn twee aspecten van dezelfde afwezigheid, want de spiegel toont haast niets, hij is bijna helemaal leeg. In deze werken kaatsen betekenissen heen en weer tussen Scylla en Charybdis, tussen claustrofobie en agorafobie waarbij de uitersten elkaar raken: we kunnen nergens heen. 



Het stilleven associëren we in Nederland al gauw met vanitas-symboliek. Een schilderij, dat zich in een vergelijkbare ruimte afspeelt als het vorige, laat een uitbundiger vegetatie zien, waarvan het eigenlijk de vraag is of die wel een stilleven is: het is niet duidelijk of deze bloemen door mensenhand geordend zijn; omdat er, net als in het andere werk, geen mensen aanwezig zijn, zelfs geen sporen van menselijke aanwezigheid behalve de lege architectuur,  zou ik zeggen dat die mogelijkheid kan worden afgeschreven. De bloemen leiden, denk ik, hun eigen leven en zijn familie van de triffids, planten uit een (ook verfilmde) SciFi roman van John Wyndham, die mensen aanvallen en de wereld willen overnemen. Dat lijkt hier ook het geval te zijn: dit zijn geen mooie bloemen die je smaakvol rangschikt, ze zijn vlijmscherp en giftig. Maar ze hebben iets verleidelijks doordat ze – als hoge uitzondering in dit werk – kleurig zijn en genuanceerd en detail in beeld komen, belicht door een onbekende lichtbron die ook niets anders zichtbaar maakt, wat feitelijk nauwelijks mogelijk lijkt. Daardoor wint de kwaadaardigheid van deze bloemen aan kracht: ze zijn ‘mooi’ vermomd en fraai belicht en ze staan voor een raam; misschien zijn ze wel van buiten naar binnen gedrongen, wie zal het zeggen. In ieder geval is hier geen sprake van een zuiver vanitas-stilleven in de klassieke zin; daarin wordt altijd nog vooruitgewezen naar een beter leven in het hiernamaals, als we tijdens ons korte verblijf op aarde tenminste maar genoeg ons best doen – hier zien we eerder de gevolgen van de vele vanitates van onze tijd en ‘de natuur’ lijkt terug te slaan, wraak te nemen. Daarmee zijn we niet in de hemel maar in de hel beland waar alles leeg en giftig en benauwend is en die hel is niet later maar hier en nu.

Maar het allerbelangrijkste element dat bijdraagt aan de unheimliche sfeer die dit werk uitstraalt en er misschien de essentie van vormt, is de lichtval. Of eigenlijk het gebrek daaraan. Niet dat er geen licht is, maar het manifesteert zich niet als verheldering, als tegenpool van de duisternis. De Nederlandse schilderkunst was indertijd zo ongeveer gespecialiseerd in licht: het clair-obscur van Rembrandt deed in de duisternis datgene oplichten waar het om ging, Vermeer liet het licht liefdevol schijnen op de schijnbaar kleine dingen van het leven en Saenredams transparante, regelmatige lichtval creëerde een sfeer van serene onthechting. Later zou Van Gogh het licht verzengend hele landschappen laten doordringen van brandende passie en in zekere zin was Mondriaan – wat dat betreft misschien een afstammeling van Saenredam - ook een schilder van het licht, op zoek naar de volmaakte verhouding, naar spirituele verlichting. Maar bij Lilian Kreutzberger dient het licht de afbraak, het verval. Het valt wel binnen door de ramen, maar valt dan levenloos op de grond, waar het lege niets van buiten wordt gereflecteerd, zodat de onwezenlijke atmosfeer spiegelbeeldig verdubbeld wordt. Het is een vaal soort licht, dat eigenlijk niet wil verlichten; in feite draagt het eerder bij aan het beeld van dreigende schemer of algehele verduistering, een paradox die aansluit bij de andere dubbelzinnigheden in dit werk.

Van even grote betekenis is het licht in die werken waar richting en plaatsbepaling niet eenduidig zijn. In enkele gevallen werkt het licht dan als obstakel, als haast fysieke barrière tussen gesuggereerde ruimtes.


Hier zijn verschillende soorten licht aan het werk: fel licht dat van rechts door een raam naar binnen valt, maar eigenlijk nauwelijks iets verlicht behalve dat raam dat daardoor meteen bijna ondoordringbaar wordt in plaats van een vanzelfsprekende overgangsplek tussen binnen en buiten. Er lijken nog andere lichtbronnen te zijn, een die het voor de kijker verste deel van het vertrek belicht maar waarvan de herkomst niet met zekerheid is vast te stellen en dan zijn er voor in het beeldvlak nog witte vitrage-achtige flarden van een soort voile, waarvan ik vermoed dat het deels spiegelende lichtplekken zijn van onduidelijke herkomst. Net als bij een echte voile fungeren ze met elkaar als een soort repoussoir, als een ‘inleiding op het vertrek’ (wat suggereert dat we hier van buiten naar binnen kijken zonder dat met zekerheid te kunnen zeggen), maar tegelijkertijd ontnemen ze de kijker een groot deel van het zicht op dat interieur – de wereld is daar in nevelen gehuld, hoewel delen van oud aandoende meubels vaag zijn aangegeven, dus dit is wel een echte woonruimte, maar dan wel een waar het binnenvallen van het felle licht haast letterlijk agressief en verblindend is, waar een lege troosteloosheid heerst en van waaruit je niet naar buiten kunt kijken terwijl de omgekeerde blik goeddeels gestremd wordt door witte lichtvlekken die een typisch malerische toets vertonen, compleet met druipers: het is geen licht, het is verf – bij Vermeer wordt de verf tot licht, hier is het proces omgekeerd en dat levert een verontrustend resultaat op dat, denk ik, uiteindelijk ook iets zegt over gebrek aan contact of mogelijkheid tot communicatie: alles is tegelijkertijd geheel leeg en ernstig verdicht, hier heerst een verdichte leegte waar niets meer mogelijk is.

Hier is een vergelijkbaar beeld in omgekeerde richting:



Hoewel ook dit beeld zich enigszins ambivalent voordoet mogen we toch aannemen dat we hier van binnen naar buiten kijken. Onduidelijk is waar zich de lichtbron bevindt: misschien binnen, achter het standpunt van de beschouwer, misschien juist buiten, zoals een formeel niet gedefinieerd maar wel relatief licht vlak lijkt aan te geven. Of allebei, dat kan ook nog. Die verwarring is kenmerkend en, lijkt mij, bewust – de kunstenaar gunt de kijker geen veilige plek waar alles klopt met zijn verwachtingen; zijn wapens, zijn zekerheden worden hem uit handen geslagen. En dan is hier ook weer die wonderlijke ‘voile’, flarden vitrage-achtig wit, streken verf die zich als vlagen mist of witte wieven in het blikveld opstellen en de overgang bemoeilijken zo niet onmogelijk maken. De plant voor het raam is familie van die welke we eerder zagen: hoekig, scherp, unheimlich. 

 
Maar het kan nog erger. Dit schilderij geeft een blik op een raam, vermoedelijk vanuit een interieur maar met enige fantasie zou het ook andersom kunnen zijn, hoewel de vage suggestie van balken aan een plafond en een zweem van wat een bank of divan zou kunnen zijn voor de eerste oplossing pleiten. Ondanks het licht dat door het raam komt – of liever gezegd: door het raam zou moeten komen – is het aan deze kant van dat raam vrijwel aardedonker. Het licht kan er niet doorheen, het slaagt er als het ware niet in om de barrière tussen buiten en binnen te slechten, als licht heeft het eigenlijk geen betekenis, het is gestold, van zijn natuurlijke functie ontdaan – in plaats van meer zien we juist minder. Het effect is vergelijkbaar met wat er gebeurt als je een raam wit verft (hoewel er dan nog meer licht doorheen komt dan hier het geval is) en dat is dan ook letterlijk wat hier gebeurd is: de kunstenaar heeft het raam met witte verf behandeld en op onverzoenlijke wijze van het licht een soort muur gemaakt waarop alle pogingen tot ontsnapping of communicatie met ‘buiten’ keihard stuklopen. Het licht is wit maar het verlicht alleen zichzelf en dat op een lege, doodse manier, het is een machteloos licht dat uiteindelijk in zijn uitwerking zelfs zo ongeveer een zwart licht is. De natuurkunde zegt dat een zwart vlak wordt gekenmerkt door het feit dat het alle lichtkleuren absorbeert en dus niets terugkaatst – de wereld zoals die ons in dit werk getoond wordt verzwelgt al het licht en staat het niet meer af. In de astronomie is een zwart gat een massa van een dusdanige zwaartekracht dat niets eraan kan ontsnappen, zelfs geen licht: dat zwarte gaten bestaan valt alleen af te leiden uit het feit dat we ze niet zien. Metaforisch gesproken geldt iets dergelijks voor dit interieur, voor dit schilderij, voor dit oeuvre: alles is af- en opgesloten in de duisternis van het licht; men kan elkaar steeds niet bereiken. In hoeverre dit als een algemene cultuurkritiek of cultuurobservatie mag worden opgevat lijkt mij aan de individuele beschouwer, maar de vergelijkingen en associaties dringen zich op.



In dit werk lijkt de kijkrichting van binnen naar buiten te zijn. Maar bij nader inzien is het zo simpel niet. Weliswaar kijken we vanuit een binnenruimte door een raam, maar wat we daar zien is niet duidelijk. Ik denk dat we een soort ‘tussenruimte’ zien, misschien een kleine maar vermoedelijk overdekte binnenplaats, waar zich aan de bovenzijde van een muur opnieuw een raam bevindt of een andere structuur die de lichtbron is (of althans het licht doorlaat). Zeker weten doe ik dit niet; dat is, denk ik, ook niet mogelijk omdat er geen zekerheden worden aangeboden. Maar dat het licht van midden boven komt is wel duidelijk. Ook hier is het weer een zeer vreemd soort licht. Weliswaar schijnt er iets van de ‘binnenplaats’ in, net genoeg om iets van een niet eenduidig definieerbare plek te suggereren en zelfs valt een restant van het licht het interieur binnen, maar in de eerste plaats verlicht ook dit licht weer zichzelf. Dat wil zeggen: de verlichtende functie is minimaal; ook dit licht is meer een vlak verf dan iets anders en daarmee is de plek waar het zich bevindt ook weer dubbelzinnig geworden: aan de ene kant lijkt het een plek om naartoe te reiken om te ontsnappen aan het relatief zwarte licht van het interieur, aan de andere kant is er geen manier beschikbaar om die ontsnappingspoging uit te voeren (hoe kom ik daar?) en tenslotte is het vrijwel zeker dat ik, zelfs als ik deze obstakels allemaal zou overwinnen als een ridder op weg naar de graal of een gevangene op zoek naar de vrijheid, mezelf te pletter zou lopen tegen dat keiharde vlak van licht. Opnieuw brengt dit licht geen warmte, het vertroost niet, het wijst geen weg, op zijn best is het een dwaallicht en een dwaallicht moet men niet volgen, want dat loopt niet goed af.



Hetzelfde geldt bijna nog sterker voor dit schilderij waarvan de plaatsaanduiding met geen enkele mate van zekerheid kan worden gedefinieerd: misschien zijn we buiten en kijken we rechts naar een raam en recht vooruit naar…..ja, naar wat eigenlijk? Het einde van een steeg? Of een open deur? Dat laatste zou betekenen dat het perspectief van de kijker vanuit een gang is, dus toch weer binnen. Kortom: we weten niet waar we zijn en ik vind het geen te grote stap om dat metaforisch op te vatten; de wereld is in de war, de westerse beschaving wordt bedreigd (zowel van binnen als van buiten!), wat ooit zekerheden leken zijn nu op losse schroeven komen te staan en we moeten ons tastend een weg vinden door de mist. Als dat tenminste mogelijk is, want de mist die hier het licht is lijkt geheel ondoordringbaar, als een hard, concreet object. We denken dat er een raam is en dat de functie van dat raam eruit bestaat dat we er doorheen kunnen kijken en dat het interieur verlicht wordt door het buitenlicht, maar opnieuw wordt in dit werk met die zekerheden afgerekend: we zien helemaal niets als we proberen naar buiten te kijken, er is geen uitzicht, de toekomst is geheel ongewis.

In al deze werken is het licht van Vermeer van een goddelijke straling geperverteerd tot een duffe ondoordringbaarheid, het is naar binnen geslagen en binnenstebuiten gekeerd en als het al iets toont (aan het licht brengt), dan is dat leegte en beklemming; in plaats van verhelderend en koesterend te zijn is dit licht regelrecht vijandig, het pijnigt in plaats van te verwarmen; niets verandert in goud, alles wordt as.



Dat geldt onverkort ook voor de tekeningen en schilderijen die alleen een buitenruimte laten zien: wolkenkrabbers in een straat waar geen levend wezen te bekennen valt – alsof er een neutronenbom gevallen is. Op een vergelijkbare manier als een nucleair wapen snijdt het licht hier van boven vlijmscherp door het midden van het beeldvlak naar beneden waar het vale vlekken op de grond geeft. Het is ook hier niet pluis, de wereld is leeg als vóór de schepping (toen de aarde woest en ledig was) of, waarschijnlijker, na het echec van de menselijke soort en onze eerste bondgenoot, het licht, heeft als een vijandige alien bezit genomen van wat ooit een bloeiende beschaving was. In die zin kan dit hele oeuvre ook gezien worden als een dystopische toekomstvisie waarin het licht niet langer, zoals in Genesis, van het duister gescheiden is.



Een andere tekening toont een opnieuw uitgestorven straat die de kijker praktisch door het midden inkijkt, waarbij vroeg twintigste eeuwse gebouwen als repoussoir dienst doen. Hier valt niets te beleven, er is niets. Behalve het licht, dat hier weer de belangrijkste acteur is en plekken op de gebouwen verlicht. Maar dat gebeurt op een wonderlijke manier, ik zou niet weten welke lichtbron dit resultaat zou opleveren, het licht lijkt een geheel autonoom bestaan te leiden en te doen wat het wil, om het zo eens uit te drukken, tegen alle natuurkundige wetten in. Het ziet er trouwens ook niet uit als licht – we interpreteren het als zodanig omdat we denken te weten dat dat zo hoort en dus wel waar zal zijn. Eerder lijkt het een rare kleverige substantie die bezig is de omgeving te annexeren: met name bij het achterste gebouw lijkt die substantie wel vanuit een onbekende plek over de architectuur heen te kruipen en aan de andere kant (voor de kijker dus ‘deze’ kant) naar beneden te druipen, als een indringer die de stad langzaam aan het veroveren is. Er is ook geen tegenstand. Het geheel lijkt bijna science fiction. “De triffids komen”; alleen komen er geen planten meer, maar iets wat nog meer primair is: het licht. Het licht, dat nodig is om de dingen zichtbaar te maken, dat wil zeggen: vorm en gestalte te geven. Mij dunkt dat in de voortgang van dit oeuvre op dit moment het tegendeel gebeurt: het licht vernietigt uiteindelijk alles; de wereld zoals we die kennen verdwijnt en wordt opgeslokt in en door een zwart gat van wit licht – en daar komt hij nooit meer uit.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten