Twee werken.
Het ene werk: een drietal driedimensionale vormen van witgeverfd MDF op een even witte muur. De vormen: onderaan twee ook van elkaar geïsoleerde delen van een fiets, namelijk een stuur en een zadel, hoger aan de muur de bovenkant van een ouderwetse straatlantaarn.
Het andere werk: zeven niet zeer grote foto’s (30 x 40 cm) van toppen van gevels staan op een soort daklijst en leunen tegen de muur.
In beide gevallen, zou je zeggen, is er bij wijze van spreken ‘niets aan de hand’. In het eerste werk is van alles weggelaten maar het blijft duidelijk een beeld van een lantaarnpaal met een fiets ertegen. In het andere werk zijn bovenkanten van huizen bezig gewoon zichzelf te zijn, hoewel ook zij van hun omgeving geïsoleerd zijn doordat iedere context ontbreekt en het verband tussen de beelden alleen wordt aangegeven door hun functie.
Dit is geen werk van het grote, dramatische gebaar. Het lijkt vooral:‘mooi’, clean, esthetisch, minimaal. Maar wie er een tijdje naar kijkt – en dat moet want anders geeft het zijn geheimen beslist niet prijs en waarom zou het ook: voor kunst moeten wij beschouwers ons best doen – bekruipt langzaam een wat onbehagelijk gevoel, alsof er iets ‘niet klopt’.
De titels zijn onschuldig genoeg, de namen van Haagse straten. Het werk met fiets en lantaarnpaal heet “Strandweg Lange Voorhout Frederikstraat”, het andere “Laan van Meerdervoort”, ook nog plekken die iedere Hagenaar wel kent.
Het feit dat de titel van het eerste werk uit drie straatnamen bestaat en daardoor correspondeert met de drie elementen waaruit het totaalbeeld is opgebouwd geeft een ingang: hebben we hier wel echt te maken met een fiets tegen een lantaarnpaal? Waarom dan die drie straten? Zou dat iets te maken hebben met dat oncomfortabele gevoel? Bij nader inzien blijken de visuele verhoudingen niet te kloppen: het zadel van de fiets is te groot voor het stuur, de lantaarnpaal lijkt zowel te hoog als te laag, de fiets zou niet op de grond kunnen staan, maar zou erin verdwijnen omdat hij domweg te laag op de muur zit; er is iets onduidelijks aan de hand, maar dat laat zich uiteindelijk wel benoemen als: gebrek aan eenheid van plaats. In plaats van één gefragmenteerd beeld zien we drie fragmenten die uit verschillende contexten (en in dit geval letterlijk verschillende plekken) afkomstig zijn: de lantaarnpaal staat aan de Strandweg, het zadel hoort bij een fiets die kennelijk aan het Voorhout is aangetroffen en het stuur bij een andere fiets uit de Frederikstraat. Dit gebrek aan onderling verband wordt nog benadrukt door het feit dat alle drie de beeldelementen aan de achterkant met een verschillende kleur beschilderd zijn die, mede door de situering tegen de spierwitte muur van een presentatieplek, weerkaatst zichtbaar wordt.
Hoe ogenschijnlijk comfortabel en harmonieus ook, blijkt dit beeld ‘in het echt’ niet te kunnen bestaan, een metafoor voor de kunst misschien waarin immers alles mogelijk is en geen toevallige ontmoeting te surrealistisch. Belangrijker nog: hoewel afkomstig uit hetzelfde betekenisgebied hebben de drie beeldelementen hier in deze opstelling niets met elkaar te maken, ze zijn als het ware bij elkaar gedwongen, tot elkaar veroordeeld, zonder dat ze werkelijk iets met elkaar te maken hebben, ze bestaan, om het zo uit te drukken, als het ware langs elkaar heen. Zo dicht bij elkaar en zo vlakbij echt contact zonder ooit zover te kunnen komen; zo kunnen ook mensen langs elkaar heen leven, zo biedt ook de hele wereld een beeld dat eenheid speelt of suggereert of aanduidt zonder dat ooit echt te zijn. In die betekenis, waarin het kleine, materiële oneindig kan worden uitvergroot naar het grote, spirituele, wordt dit werk alsnog een drama: een verbeelding van het menselijk tekort.
Het tweede werk biedt nog minder informatie. De zeven topgevels, steeds centraal in het vlak, zijn gefotografeerd tegen een keiharde, compromisloos blauwe lucht, niet het geruststellende blauw van een zomerdag aan het strand, maar eerder een soort bijna tweedimensionale, confronterende muur van blauw waaraan geen ontsnappen mogelijk is.
Opnieuw is sprake van fragmenten die uit hun context zijn gelicht, de context van de lange Laan van Meerdervoort, beurtelings saai en architectonisch en historisch interessant. Maar hier argumenteren ze voor zichzelf en weg uit hun dagelijkse pittoreske omgeving bieden ze iets onrustbarends; stuk voor stuk worden ze even ongenaakbaar als hun hardblauwe achtergrond waartegen ze enerzijds afsteken maar die ze anderzijds ook weerspiegelen in een serie die bijna exotische beelden oplevert met als gemeenschappelijk teken één of twee omhoog rijzende pinakels die zich in het blauw lijken te boren. De uitstraling van het Haagse herenhuis lijkt te zijn verruild voor die van een anoniem, ongenaakbaar fort, waaruit iedere vertrouwdheid is geweken terwijl die in de titel en de eerste blik juist wel werd gesuggereerd. Het resultaat is een merkwaardig soort vervreemding waarbij men zich niet meer thuis kan voelen in de eigen omgeving.
Bij deze beschouwer roepen deze werken één vraag op, misschien wel de vraag van onze tijd: Waar ben ik?





Geen opmerkingen:
Een reactie posten