dinsdag 19 april 2011

Over een werk van Teun Hocks


In een aantal werken van Teun Hocks komt een kunstenaar voor. Als een kunstenaar een kunstenaar als protagonist kiest moet daarover worden nagedacht, dat is natuurlijk geen toeval. Vroeger ging het meestal gewoon om een zelfportret of eventueel om een allegorisch zelfportret (zoals bij Courbet) maar hier is iets anders aan de hand. Weliswaar is de afgebeelde persoon Teun Hocks zelf, maar dat geldt voor al zijn werk en daar hoeft geen bijzondere autobiografische waarde aan te worden toegekend: de kunstenaar heeft zichzelf altijd bij de hand, dus dat komt goed uit en bovendien heeft hij het ideale uiterlijk voor de scènes die hij produceert, daar is al genoeg over geschreven.

De kunstenaar die bij Hocks optreedt is altijd een schilder en hij is gewoonlijk buiten aan het werk, in de natuur, dus: ‘naar de waarneming’. Hij probeert de natuur ter plekke af te beelden en is als zodanig een verre erfgenaam van de eerste plein air schilders van de School van Barbizon. Maar tegelijkertijd blijkt die natuur geladen met symboliek en in die zin is de schilder een afstammeling van, bijvoorbeeld, Friedrich. Hij is in ieder geval een exponent van een soort laat-Romantische opvatting. Dat is hij ook omdat zijn ondernemingen veelal mislukken of een onmogelijkheid najagen. Er zit iets tragisch in zijn pogingen, het streven naar het Sublieme eindigt prematuur in allerlei valkuilen vol paradoxen zoals die meestal in Hocks’ werk optreden en waarbij de ironie een bepalende stijlfiguur is: dit oeuvre is doordrenkt van mild bekeken nostalgie, onmogelijke opdrachten, absurde associaties en een typisch Nederlandse, relativerende visie op groots en meeslepend leven en teveel hooi op de artistieke vork. Hocks’ werk spreekt over het menselijk tekort, maar doet dat met veel medeleven en compassie. En met een mooi bizar gevoel voor humor.



Het is donker, avond dus,  en het sneeuwt. Er is niets te zien behalve sneeuwvlokken in de nacht. In het midden van het werk staat de schilder, met een ijsmuts en een sjaal, en werkt aan een doek dat op een ezel staat. De afbeelding op het doek is ongeveer identiek aan wat we verder zien: sneeuwvlokken in het duister. Die verdubbeling van een werk in een werk en een schilder die hetzelfde schildert als al te zien is, doet vanwege zijn evidente overbodigheid komisch aan. Maar er is wel meer over te zeggen.
De schilder die de wereld naar de waarneming wil afbeelden heeft zich hier geen gemakkelijke taak gesteld: de sneeuwvlokken zijn ‘in het echt’ al verdwenen voordat ze geschilderd zijn. De vlokken op het schildersdoek zijn dus nooit ‘portretten’ van bestaande vlokken, ze lijken er alleen maar sprekend op. Wat nogal logisch is, want alle sneeuwvlokken, ook die in het grotere beeld, zijn voor het oog identiek. Dus maakt het ook niet uit welke sneeuw de schilder precies schildert, het effect blijft hetzelfde. Maar omdat de schilder de moeite heeft genomen om met zijn spullen naar buiten te gaan (inclusief een groot palet wat voor het schilderen van sneeuw niet nodig lijkt) om in weer en wind ter plekke aan het werk te gaan doet vermoeden dat hijzelf er anders over denkt. Voor hem is het wél van belang dat hij getrouw schildert wat hij ziet, wat er ís. Dat verleent hem een dubbelzinnige relatie met de ‘echte’ wereld, met de werkelijkheid zoals we die zien en kennen: aan de ene kant staat hij er middenin, aan de andere kant blijft hij, juist om die reden misschien, een buitenstaander en dát dat het geval is blijkt uit de onmogelijkheid van de gestelde opdracht, de onbereikbaarheid van het resultaat. 



Daar komt dan nog weer bij dat die werkelijkheid hier de werkelijkheid van de rest van dit werk is en als je die nader bekijkt wordt duidelijk dat geen sneeuwbui er ooit zo uit zal zien als deze: er zijn te weinig sneeuwvlokken en als dat al denkbaar is bevinden ze zich te keurig geordend ten opzichte van elkaar. Met andere woorden: de werkelijkheid die de schilder vergeefs probeert af te beelden is op zich al een illusie en opnieuw de illusie van de afbeelding, nu die van de imaginaire sneeuwbui die de kunstenaar Teun Hocks heeft geconstrueerd – zo functioneert de illusie als het ware naar twee kanten tegelijk. We kunnen dan ook nog aanvoeren dat de belichting niet klopt: er schijnt zich ergens links achter de schilder en buiten het beeldvlak een lichtbron te bevinden; het linkerdeel van het bovenlichaam van de schilder is het felst verlicht en we zien ook de schaduw van zijn schilderende hand en andere attributen op het doek dat hij aan het schilderen is (dat daardoor op weer een andere manier deel van twee afbeeldingen wordt!), maar bij nadere beschouwing moeten we constateren dat het totale beeldvlak ook evenwichtig verlicht is op een manier die officieel niet zou kunnen bestaan: de lucht is overal even donker, de sneeuw is overal even licht. Met andere woorden: het is waarschijnlijk helemaal geen nacht, we worden voor de gek gehouden, we krijgen ook hier weer fictie voorgeschoteld, wij kunnen het beeld net zo min vertrouwen als de schilder het beeld in het beeld dat hij nota bene zelf aan het maken is. En dus kan, omgekeerd, de schilder zelf ook geen vertrouwen stellen in  het beeld waarin hij zich bevindt: hij verkeert dus, opnieuw, naar twee kanten toe in een staat van illusie zonder dat te weten. Een klassieker voorbeeld van de menselijke conditie, de onmogelijkheid om te overzien waar je deel van bent en welke stappen je daarin zet, kan ik me nauwelijks voorstellen.
Wat ik me wel kan voorstellen is dat er nóg een betekenislaag in dit werk verscholen zit.
Als het doek waaraan de schilder werkt af is zal het misschien niet herkend worden als een afbeelding of voorstelling van sneeuwvlokken in de nacht. De reden dat wij dat meteen zo duiden is de combinatie van de sneeuwvlokken in het grotere beeld met de afbeelding van de schilder die ook nog eens op de kou gekleed is. Maar als we de schilder met zijn ezel wegdenken blijft er niets over dan een donker oppervlak met witte vlekken die er in een soort strooipatroon overheen liggen. Er is dan geen enkele reden waarom we het beeld figuratief zouden interpreteren, daarvoor ontbreken de handvaten. Mutatis mutandis zal hetzelfde aan de hand zijn met het schilderij dat we gemaakt zien worden. Buiten zijn context zal het niet meer zijn dan een zwart doek met witte stippen: een abstract schilderij. De historische positie waarin we de schilder hebben gesitueerd (ergens in de negentiende eeuw) zou hem dan met terugwerkende kracht wel eens tot de eerste abstracte schilder kunnen bombarderen! En zonder dat hij er zelf weet van heeft. Of toch, want we weten niet hoe hij zal reageren wanneer hij zijn schilderij later als het niet meer sneeuwt bekijkt, bij daglicht en binnen bijvoorbeeld. Misschien zou hij de consequentie wél trekken, begrijpen dat het afbeelden op illusie berust en dat je dan net zo goed vrij bent om iedere andere mogelijkheid van en tot fictie te verkennen en te (re)presenteren. Tenslotte is dit werk (en nu bedoel ik weer het ‘hele’ werk) ongeveer honderd jaar na de uitvinding van de abstracte kunst gemaakt - dus op een moment in de cultuur waarin beeldende abstractie de gewoonste zaak van de wereld is - en daarom is de associatie legitiem naar mijn idee. Je weet het niet, misschien zal het volgende schilderij van Hocks’ kunstenaar een monochroom wit doek zijn of een zwart vierkant… maar aan de andere kant betekent het feit dat ik dat bedenk dat ik reageer vanuit míjn tijd terwijl de schilder ‘eigenlijk’ in de negentiende eeuw leeft en een dergelijk besef dus vermoedelijk niet kan krijgen. En ook dát is weer fictie, want dat van die negentiende eeuw is niet meer dan een aanname (misschien hadden ze toen zulke ijsmutsen helemaal nog niet) om een ingang tot het werk te krijgen en zelfs al zou Teun Hocks een dergelijke constructie bedoeld hebben, dan nog geldt voor hem hetzelfde als voor mij: dat doen we nú en niet in 1880, toen de impressionisten het vliedende leven schilderden zoals Hocks’ schilder sneeuwvlokken. Sterker, geen negentiende eeuwse schilder zou op een dergelijke manier sneeuwvlokken gaan schilderen, dat is ondenkbaar, een non-onderwerp waar niemand op zou komen.


Zo zou ik mogelijk nog een tijdje door kunnen gaan, maar dat dient geen doel meer. Mij dunkt dat dit werk ons leert hoezeer we leven en werken in termen van fictie en illusie, binnen de relatief kleine context van ons individueel vermogen dat het Grote Geheel niet altijd overziet – waarbij je je ook nog af kunt vragen of dat altijd wenselijk is. De schilder van Teun Hocks is misschien een beetje een tragische figuur in zijn poging om wat niet te pakken valt toch vast te leggen maar juist die poging – die op zich integer en vol passie is – maakt hem tot een mens, met feilen en beperkingen zoals iedereen en soms bevindt de waarheid zich niet in het doel maar in de weg.
Dan wordt dit werk een fraai gelaagde en innerlijk tegenstrijdige voorstelling van leven en streven van de mens met al zijn paradoxen. Je kunt er iets van vanitas in zien en als zodanig staat het in een typisch Nederlandse traditie, maar je kunt het ook minder didactisch bekijken als een liefdevol omarmen van de mens die in zijn eeuwige geploeter ook dierbaar en herkenbaar is – het menselijk tekort kan ook worden gevierd en je kunt er nog om lachen ook.   

Dit stuk werd eerder gepubliceerd t.g.v. een tentoonstelling van Teun Hocks in Heden, Den Haag

Geen opmerkingen:

Een reactie posten